Download Typebestek 105
 
ARTIKEL C14. LUCHTKANALEN
 

C14 PAR. 0 Normenreferenties

Normenreferenties​

C14 PAR. 1: Algemene voorwaarden voor alle luchtkanalen​​

Kleppen

6.1. Algemeen


Regelkleppen worden enkel gebruikt voor het uitbalanceren van het ventilatiesysteem zodat de gewenste debieten gehaald worden in de diverse ventilatietakken. Ze mogen niet gebruikt worden als afsluitklep, enkel om af te regelen.​

De aannemer dient een voldoende aantal regelkleppen te voorzien, zodanig dat het hele luchtkanaalnet uitgebalanceerd kan worden. De aannemer plaatst alle nodige regelkleppen, ook al zijn ze niet aangegeven op de plannen of in het bijzonder bestek. Dit geeft in geen enkel geval aanleiding tot een meerprijs.

Afsluitkleppen worden gebruikt voor het afsluiten van een kanalennet. Ze dienen te voldoen aan de in het bijzonder bestek opgegeven dichtheidsklasse over het klepblad met waarden 1, 2, 3 of 4 volgens NBN EN 1751; zie onderstaande figuur (Fig. C14.1.-2).

 
 
Fig. C14.1.-2

Iedere klep met handbediening is voorzien van een bedienings-, vastzet- en standaanwijzingsinrichting die buiten het kanaal geplaatst is en wel zodanig dat de eventuele thermische isolatie niet onderbroken wordt; alle uitwendige delen moeten bereikbaar blijven na het aanbrengen van de isolatie.

De bewegende delen, assen, bedienings- en vastzetinrichtingen, bevestigingen van de afsluitbladen zijn van roestvast metaal (koper, brons, roestvast staal, verchroomd staal, gegoten aluminium) of van gegalvaniseerd staal.

De lagers mogen van kunststof zijn indien de luchtdichtheid gegarandeerd blijft.

Bij geen enkel soort klep wordt klepperen van het bewegende deel geduld.

6.2. Rechthoekige kleppen

De rechthoekige kleppen dienen te voldoen aan de opgegeven luchtdichtheidsklasse B,C of D zoals beschreven in punt 3 “Dichtheid” van deze paragraaf.

6.2.1. Kleppenregisters

 De kleppen zijn van het type met meervoudige schoepen van aluminium. Ze zijn gemonteerd op kogellagers of lagers in synthetisch materiaal en sluiten volgens de opgegeven klasse in het bijzonder bestek (bij ontstentenis klasse 3 volgens NBN EN 1751; zie Fig. C14.1.-2). Daartoe zijn de schoepranden voorzien van dichtingsstrippen van niet verouderend elastisch materiaal.

De schoepen hebben een speciaal profiel om een geruisloze doorstroming van de lucht en om, in het voorkomend geval, een zo lineair mogelijke variatie van de luchtstroom bij de openings- of sluitingsbeweging te bekomen.

6.2.2. Rechthoekige regelkleppen

De kleppen met enkelvoudig blad zijn slechts toegelaten wanneer de kanaaldoorsnede niet groter is dan 0,36 mÇ. Het afsluitblad van de klep mag in geen enkele stand buiten het kanaal uitsteken.

6.3. Ronde kleppen

De ronde kleppen dienen te voldoen aan de opgegeven luchtdichtheidsklasse B, C of D zoals beschreven in punt 3 “Dichtheid” van deze paragraaf.

6.3.1. Ronde afsluitkleppen

Ronde afsluitkleppen bestaan uit een vol klepblad met een dichting van niet verouderend elastisch materiaal rondom het klepblad

Ze zijn gemonteerd op kogellagers of lagers in synthetisch materiaal en sluiten volgens de opgegeven klasse in het bijzonder bestek (bij ontstentenis klasse 3 volgens NBN EN 1751; zie Fig. C14.1.-2).

6.3.2. Ronde regelkleppen

Ronde regelkleppen bestaan uit een afgesneden klepblad zodat zelfs in gesloten toestand een debiet wordt gewaarborgd waardoor de inregeling van het debiet minder gevoelig is aan minimale wijzigingen in de stand van de klep.

6.3.3. Iris regelkleppen

 Wanneer volgens het bijzonder bestek zeer strikte eisen gesteld worden aan de geluidsproductie van de klep, de centrische flow, het volledig openen van de klep voor reiniging, of indien meetnippels dienen geïntegreerd te zijn in de klep, dan kan voor een irisklep gekozen worden.

Er dient bijzondere aandacht besteed te worden aan de correcte plaatsing van de iris regelklep (Zie Fig. C14.1.-3).

 
Fig. C14.1.-3​
 

Indien voor het reinigen de klep volledig wordt geopend, moet na het reinigen de klep terug op de originele stand geplaatst worden. De klep dient hiertoe met een duidelijke externe standaanwijzingsinrichting uitgerust te worden.​

Materialen - Normalisatie - Dichtheid

1. Materialen waaruit de kanalen samengesteld zijn

Enkel metaal is toegelaten voor de vervaardiging van luchtkanalen, met uitzondering van de flexibele luchtkanalen.

2. Normalisatie van de doorsneden en van de speciale stukken

De kanalen beantwoorden aan de normen NBN EN 1505 “ventilatie van gebouwen – dunwandig metalen luchtleidingen en verbindingsstukken met rechthoekige doorsnede - afmetingen" en NBN EN 1506 "ventilatie van gebouwen – dunwandige metalen luchtleidingen en verbindingsstukken met ronde doorsnede - afmetingen".

Voor de speciale stukken worden bijkomende bepalingen gegeven in het navolgende art. C14. par. 2.

3. Dichtheid

De luchtkanaalnetten moeten voldoen aan volgende eisen in verband met hun luchtdichtheid:

​Klasse A ​Niet van toepassing.
​Klasse B ​Voor de zichtbare kanalen gelegen in de lokalen die ze bedienen en waarbij het relatieve drukverschil met de omgeving 150 Pa niet overschrijdt.
​Klasse C ​Voor de kanalen niet gelegen in de lokalen die ze bedienen, voor niet zichtbare kanalen en voor kanalen waarvoor het relatieve drukverschil met de omgeving 150 Pa overschrijdt. 
Voor alle extractiekanalen die in overdruk kunnen staan binnen de gebouwen, met uitzondering van het verloop in de technische lokalen.
​Klasse D ​Indien bepaald door het bijzonder bestek.
 Tab. C14.1.-1
 
​Men spreekt van kanaalnetten van lage druk, middendruk of hoge druk naargelang van de maximale druk P die in het betrokken kanaalnet kan heersen.

Zo worden drie drukklassen gedefinieerd:

​Lage druk ​0 Pa < P ≤ 400 Pa
​Middendruk ​400 Pa < P ≤​ 1000 Pa
​Hoge druk ​1000 Pa < P

 

De maximum toegelaten negatieve druk is onafhankelijk van de drukklasse en bedraagt 500 Pa voor kanaalnetten met luchtdichtheidsklasse B, en 750 Pa voor kanaalnetten met luchtdichtheidsklasse C of D.

Het bijzonder bestek vermeldt voor ieder kanaalnet de vereiste drukklasse.​

De volgende figuur (Fig. C14.1.-1) duidt de toelaatbare lekfactor aan, in functie van de maximale druk: 

 
 Fig. C14.1.-1
 

Het toelaatbaar lekdebiet van het hele net onder dienstdruk moet gevoegd worden bij het nominale debiet (som van de debieten van de eindeenheden) van de ventilator.

Alle luchtkanaalnetten van klasse B, C en D moeten voor de eerste voorlopige oplevering effectief op lekdichtheid beproefd worden door de aannemer, hetzij in hun totaliteit, hetzij per onderdelen aan te duiden door de aanbestedende overheid. De aannemer voert de proef uit zoals beschreven in art. E5.par. 5. van dit typebestek en levert een testverslag af conform NBN EN 12237.

Minstens 30 % van de totale oppervlakte van de kanalen zal beproefd worden. De te beproeven gedeeltes worden aan de keuze van de aanbestedende overheid overgelaten.

Indien deze eerste proeven geen voldoening geven zal de aannemer, na de nodige aanpassingswerken, het gebrekkige gedeelte opnieuw beproeven evenals een bijkomende 30 % van de totale oppervlakte.

Indien deze tweede proef nog steeds geen voldoening geeft zal de aannemer, na de nodige bijkomende aanpassingswerken, de totale oppervlakte beproeven.

Indien deze proef op de totale oppervlakte nog steeds geen voldoening geeft zal de aannemer verbeteringswerken gevolgd door proeven blijven uitvoeren tot de proef op de totale oppervlakte voldoening geeft.

Na de proeven van de aannemer worden er controleproeven verricht door het bestuur.

Al deze proeven gebeuren onder toezicht van de leidend ambtenaar, die zich steeds het recht voorbehoudt bijkomende proeven te laten doen door een extern organisme.

Indien deze bijkomende proeven geen voldoening geven zijn de kosten ervan ten laste van de aannemer.​​​​

Plaatsing van kanalen
  • De bevestigingselementen (stangen, profielen, ...) zijn van gegalvaniseerd staal.
  • Wanneer de kanalen opgehangen zijn, dan bestaan de bevestigings-elementen uit stangen waarvan de uiteinden van schroefdraad voorzien zijn. Deze uiteinden zijn door moeren bevestigd aan horizontale profielijzers waarop de rechthoekige kanalen rusten of aan beugels voor de bevestiging van ronde kanalen.
  • De bevestigingen en ophangingen van de luchtkanalen worden zo uitgevoerd dat ze een eenvoudige demontage toelaten. De bevestigings- en ophangingsmiddelen moeten een regeling van de luchtkanalen in beide richtingen toelaten.
  • Wanneer de kanalen geïsoleerd zijn, dan mag de isolatie niet onderbroken worden op de plaats van de ophangingselementen.
  • Er wordt een soepele band aangebracht tussen de steunen en de kanalen om het overbrengen van trillingen te vermijden, conform de vereisten van het hoofdstuk D akoestiek.
  • Het is ten strengste verboden gelijk welke kanalen in aanraking te laten komen met metselwerk, mortel of beton. In alle gevallen moet een inerte waterdichte isolatie tussengeplaatst worden.
  • Alle doorgangen door de wanden gebeuren zonder rechtstreeks contact tussen het kanaal en het gebouw. Daartoe zijn de openingen doorheen de wanden 40 mm groter dan de buitenafmetingen van de kanalen om zodoende een ruimte te creëren van ongeveer 20 mm rondom de kanalen. Na het monteren van de kanalen, wordt deze ruimte over de ganse omtrek en over de gehele diepte van de doorboring zorgvuldig gevuld met een soepel materiaal zoals glasvezel of minerale wol. De doorboring wordt langs beide zijden van de wand dicht gemaakt door een laag niet verhardende mastiek met een diepte van minstens 20 mm.
  • Er worden eventueel bijkomende maatregelen getroffen in functie van de akoestische voorschriften, de brandweerstand, enz.
 
Reinigingsopeningen

Ten einde de kanalen degelijk te kunnen reinigen, worden zij voorzien van een voldoende aantal reinigingsopeningen, aangebracht conform NBN EN 12097.

Daarnaast zijn de volgende voorschriften van toepassing :

  • De reinigingsopeningen zijn makkelijk te herkennen, en op een duidelijke en duurzame wijze aangeduid op de kanalen. Ze worden weergegeven met hun label op de « as built » plannen der technieken alsook op de afwerkingsplannen (valse plafonds, verhoogde vloer, schachten, enz.), waar alle luiken en deuren die toegang geven tot de reinigingsopeningen zijn opgenomen en vermeld.
  • Buiten de reinigingsopeningen zijn kanalen, bestemd om lucht die met vetdeeltjes beladen is te transporteren, op het laagste punt van een schacht voorzien van een recipiënt en een kraan met sferische plug DN 50 teneinde de afvoer, via de vetafscheider, van de reinigingsdetergenten toe te laten.​

C14 PAR. 2: Metalen kanalen

Mechanische weerstand

2.1. Principe

Het constructiesysteem van de kanalen wordt getest op gebied van de mechanische weerstand, volgens de methode beschreven in punt 2.3. hierna.

De dikte van de wand mag evenwel nooit kleiner zijn dan 0,4 mm ± 0,08 mm.

2.2. Terminologie

2.2.1. Inzakking "c" (uitgedrukt in mm)

Men noemt inzakking “c” de afstand tussen het niveau dat door de steunen van het kanaal gaat en het niveau dat door het laagste punt van het onderste oppervlak van de mantel gaat, na toepassing van de belasting “F”. (Zie Fig. C14.2.-1)

 
Fig. C14.2.-1
 

 2.2.2. Vervorming "s" (uitgedrukt in mm)

Men noemt vervorming “s” van elk van de vier zijden van een rechthoekig kanaal, de afstand tussen het oppervlak S dat deze zijde bevat vóór de toepassing van de belasting F en van de mechanische proefdruk “pc” en het verst verwijderde punt van dezelfde zijde van het oppervlak S na toepassing van deze belastingen. (Zie Fig. C14.2.-2)​

Fig. C14.2.-2

 2.2.3. Voeg

Men noemt voeg de samenhechting van twee plaatboorden door lassen, overlapping of vasthaken.

 2.2.4. Verbinding

Men noemt verbinding de dwarsverbinding tussen twee kanaalelementen.

 2.2.5. Proefdrukken (uitgedrukt in Pa)

Men onderscheidt :

  • de mechanische proefdruk "pc", door de constructeur gekozen, die het kanaal zonder beschadiging moet doorstaan tijdens de proef.
  • de dichtheidsproefdruk "pu", toegepast bij de uiteindelijke meting van de dichtheid, bestemd om, na toepassing van de belastingen F en pc, het gedrag na te gaan van de voegen en verbindingen. Deze druk is gelijk aan 400 Pa, 1.000 Pa of 2.000 Pa, naargelang de geteste kanalen bestemd zijn voor respectievelijk lage druk, middendruk of hoge druk.

2.3. Proefmethode

 2.3.1. Inlichtingen te leveren door de constructeur

De constructeur levert de volgende inlichtingen :

  • maximum toelaatbare ophangingsafstand (ln), uitgedrukt in mm
  • mechanische proefdruk (pc), uitgedrukt in Pa
  • maximum toelaatbaar gewicht van de thermische isolatie (mi), uitgedrukt in N

2.3.2. Proefmaterieel

2.3.2.1. Bepaling van de inzakking

Het beproevingstoestel dat de belasting toepast en de inzakking bepaalt, is in principe vervaardigd als volgt :

a. Rechthoekige kanalen

De uiteinden van de kanalen rusten op twee cilindrische steunen waarvan de aslijnen evenwijdig zijn, gesitueerd zijn in eenzelfde horizontaal vlak en loodrecht staan op de as van het kanaal; in het midden van het bovenste deel van het kanaal wordt een lineaire belasting toegepast.

b. Ronde kanalen

Het toestel is identiek, maar de steunen en de stang voor het overbrengen van de belasting zijn gebogen en bedekken een vierde van de omtrek van het kanaal.

Een voorbeeld van een beproevingstoestel wordt voorgesteld op Fig. C14.2.-3. Het beproevingstoestel wordt op zulke wijze vervaardigd dat enkel de verticaal gerichte krachten overgebracht worden op het kanaal. De stang voor het overbrengen van de belasting en de stangen voor het ondersteunen van het kanaal hebben een straal die kleiner is dan of gelijk is aan 25 mm.

De gewichten, drukcilinders of andere inrichtingen die dienen om de belasting toe te passen, zijn zodanig bestudeerd dat de afwijking niet meer dan ± 10 N bedraagt.​

 Fig. C14.2.-3

 2.3.2.2. Bepaling van de vervorming “s”  en van de weerstand van de voegen en verbindingen
 

Het principe van het beproevingstoestel wordt voorgesteld op Fig. C14.2.-4.

De ventilator moet een statische druk kunnen opleveren van minstens 1,5 keer de mechanische proefdruk en een debiet dat 10 % groter is dan het toelaatbare lekdebiet onder deze druk.​

 
 Fig. C14.2.-4
 
 

 Andere, gelijkwaardige toestellen waarmee men de lekdichtheid van kanalen test zijn toegestaan indien men de methodes volgt van NBN EN 12237, NBN EN 1507 en NBN EN 12599. Alle voorschriften van de lektesttoestelfabrikant dienen in acht genomen te worden.

 2.3.2.3. Nauwkeurigheid van de meetinstrumenten

​Gemeten grootheid Toegelaten maximale afwijking​
​Lengte ​1 mm
​Druk ​2 % (max. 3 Pa)
​lekdebiet ​0,1 l/s voor gemeten waarden ≤ 2 l/s en voor 5% voor gemeten waarden > 2 l/s

  

2.3.3. Voorbereiding

Het onder punt 2.3.2.1. beschreven beproevingstoestel wordt zodanig gemonteerd dat de afstand tussen de steunpunten (lp) gelijk is aan (ln – 50 mm) ± 50 mm.

Na gewogen te zijn geweest, wordt het kanaal op de steunen geplaatst. De rechthoekige kanalen moeten geplaatst worden op de kant die bestemd is om de onderzijde van het kanaal te vormen.

De kanalen die bestemd zijn om aan elke verbinding bevestigd te worden, worden zodanig geplaatst dat er een verbinding is aan de buitenkant van elke steun. (Zie Fig. C14.2.-5)

 
 Fig. C14.2.-5
 

 De andere kanalen worden zodanig geplaatst dat zich een verbinding bevindt in het midden tussen de steunen. (Zie Fig. C14.2.-6) 

Fig. C14.2.-6 
​ 

Men sluit de uiteinden van het kanaal af en men sluit het onder punt 2.3.2.2. beschreven proefmateriaal aan.

De afstand tussen een vlak referentie-oppervlak en een ander vlak oppervlak dat door de steunstangen gaat, wordt gemeten en men tekent deze metingen op (co ). (zie Fig. C14.2.-1)

2.3.4. Bepaling van de inzakking "c"

Indien de kleinste afmeting van het kanaal (of zijn diameter) minder bedraagt dan 600 mm, past men in het midden volgende belasting toe :

  • niet-geïsoleerde kanalen :

F1 = 1,3 mk met een minimum van 250 N

  • geïsoleerde kanalen :

F2 = 1,3 mk + 1,9 mi met een minimum van 250 N

waarin :

mk = gewicht van het niet-geïsoleerde kanaal (N)

mi = gewicht van het isolatiemateriaal (N)

Na een minuut meet men de afstand tussen het laagste punt van het kanaal en het referentiepeil en men tekent de bekomen meting op (c1). Het verschil tussen deze meting (c1) en de voordien opgetekende meting (co : zie 2.3.3.), vormt de inzakking “c” van het kanaal (c = |c1 -co|).

Indien de kleinste afmeting van het kanaal (of zijn diameter) groter is dan of gelijk is aan 600 mm, past men in het midden, zoals in het eerste geval, de hierboven bepaalde verticale belasting F1 of F2 toe.

Na een minuut wordt de belasting F = 2.400 N toegevoegd en na nog een minuut meet men de afstand tussen het laagste punt van het kanaal en het referentiepeil en men tekent de bekomen maten op (c1).

Het verschil tussen deze meting (c1) en de voordien opgetekend meting (co : zie 2.3.3.), vormt de inzakking “c” van het kanaal (c = |c1 –  co|).

2.3.5. Bepaling van de vervorming "s" en van de weerstand van de voegen en verbindingen

Na het wegnemen van de belasting F1, F2, F1 + F of F2 + F, past men eerst een inwendige druk toe die gelijk is aan 1,5 maal de door de constructeur opgegeven mechanische proefdruk (pc), en men behoudt hem gedurende 5 minuten.

Voor de rechthoekige kanalen brengt men vervolgens de inwendige druk terug op de waarde pc en men meet de vervorming “s” van de vier zijden van het kanaal.

 Men brengt tenslotte voor alle kanalen de druk terug op 400, 1.000 of 2.000 Pa (pu), naargelang de kanalen bestemd zijn voor lage-, midden of voor hoge druk, en men bepaalt de lekfactor volgens de methode beschreven in art. E5. par. 5. van dit bestek.

2.3.6. Proefverslag

 Het verslag moet minstens de volgende inlichtingen verschaffen :

1. Fabrikant, materialen van de kanalen, dikte van de wanden, eventuele verstevigingsmiddelen, constructie van de voegen en verbindingen (te preciseren met gedetailleerde tekeningen van het monster).

2. Dwarse en overlangse binnenafmetingen, alsook zijoppervlakte van het monster. Positie van het kanaal, voor de rechthoekige kanalen.

3. Gewicht van het kanaal (gemeten) en van het isoleermiddel (berekend).

 4. Afstand tussen de steunen.

5. Andere inlichtingen die eventueel nodig zijn voor de beoordeling van het monster, bijvoorbeeld het model en de constructie van het proefmateriaal, de wijze van belasting, enz...

6. Belasting en inzakking "c".

7. Proefdrukken pc en pu, en lekfactor "f".

8. Vervorming "s" voor de rechthoekige kanalen.

9. Omschrijving van de eventuele beschadigingen.

10. Datum en plaats van de proef, naam van de onderzoeker.

2.4. Criteria

2.4.1. Inzakking

Onder de belasting F1, F2, F1 + F of F2 + F, naargelang van het geval, mag de inzakking “c” niet hoger zijn dan 1 % van ln, ln zijnde de toegelaten maximale afstand tussen de steunpunten.

 2.4.2. Vervorming

Onder de proefdruk pc mag de vervorming “s” van een zijde van een rechthoekig kanaal nooit hoger zijn dan de volgende waarde :​

 

breedte x van de zijde (mm) ​x ≤ 300 300 < x < 450 450 ≤ x < 600 x ≥ 600
vervorming s (mm)​​ 10​ 12 15​ ​20
 

 2.4.3. Voegen en verbindingen

De voegen en verbindingen moeten weerstand bieden aan de toepassing van de belasting F1, F2, F1 + F of F2 + F, vervolgens aan de gelijktijdige toepassing van deze belasting en van de proefdruk pc.

Er wordt beschouwd dat de voegen en verbindingen weerstand bieden indien het kanaal na toepassing van deze belastingen voldoet aan de dichtheidsproef beschreven in art. E5. par. 5 van dit bestek.

2.5. Geldigheid van de proef voor een bepaalde aanneming

De aannemer levert aan de bouwheer een verslag van de proef uitgevoerd volgens bovenvermelde voorschriften, ofwel in een onafhankelijk laboratorium, ofwel in de werkplaats van de constructeur onder controle van een erkend organisme.

De proef moet het gehele gamma van de te installeren kanalen omvatten, d.w.z. dat ze moet worden uitgevoerd voor elk constructietype.

a. voor de rechthoekige kanalen

  • op een kanaal dat als hoogte de kleinste hoogte van alle te installeren kanalen heeft, of een kleinere hoogte
  • op een kanaal dat als hoogte de grootste hoogte van alle te installeren kanalen heeft, of een grotere hoogte
  • op een kanaal dat als breedte de grootste breedte van alle te installeren kanalen heeft, of een grotere breedte

 b. voor de ronde kanalen

  • op een kanaal dat als diameter de kleinste diameter van alle te installeren kanalen heeft, of een kleinere diameter
  • op een kanaal dat als diameter de grootste diameter van alle te installeren kanalen heeft, of een grotere diameter

De mechanische proefdruk (pc) moet positief of negatief zijn, naargelang de effectieve statische druk bij werking zelf positief of negatief is. De absolute waarde van de mechanische proefdruk moet minstens gelijk zijn aan de absolute waarde van de maximale effectieve statische druk, zonder ooit kleiner te zijn dan 500 Pa.

Tijdens de uitvoering der werken mag de afstand tussen de steunen van de horizontaal geplaatste kanalen uiteraard niet groter zijn dan de waarde die door de constructeur als maximaal wordt opgegeven (ln) en die in het proefverslag is opgenomen.

De steunen worden geplaatst op de plaats van de verbindingen of ertussen, naargelang de proefinrichting overeenstemt met Fig. C14.2.-5 of met Fig. C14.2.-6.​

Technologische eig​enschappen van de te gebruiken materialen

1.1. Kwaliteit van het materiaal voor het kanaal

De kanalen worden vervaardigd uit de volgende materialen :

A) Gegalvaniseerde staalplaat volgens een procédé (Sendzimir of gelijkwaardig) waarbij de staalplaat geen beschadiging oploopt bij de fabricagebehandeling en de zinklaag niet scheurt of loskomt tijdens deze behandeling.

  • De kanalen en niet geperste stukken voldoen aan DX51 D (bending and profiling quality) volgens NBN EN 10346 met toleranties volgens NBN EN 10143.
  • De geperste stukken voldoen aan DX54 D (special deep drawing quality) volgens NBN EN 10346 met toleranties volgens EN 10143.

B) Chloorbestendig aluminium.

  • de kanalen en hulpstukken voldoen aan EN AW-5754 (ISO Almg3).

C) Roestvast staal

  • De kanalen en hulpstukken voldoen aan EN 1.4301 (AISI 304).
  • De gelaste kanalen en hulpstukken voldoen aan EN 1.4301 (AISI 304), de lasnaden moeten nabehandeld zijn.

D) Chloorbestendig roestvast staal

  • de kanalen en hulpstukken voldoen aan EN 1.4436 (AISI 316).
  • de gelaste kanalen en hulpstukken voldoen aan EN 1.4404 (AISI 316L), de lasnaden moeten nabehandeld zijn.

De versterkingsstukken, de flenzen, de dwarsstukken en de andere samenstellende elementen van de kanalen bestaan uit materialen van dezelfde aard die dezelfde behandeling hebben ondergaan als deze hierboven beschreven. Bij combinatie van metalen dient rekening gehouden te worden met het elektrisch potentiaalverschil tussen de twee metalen. Indien nodig dienen de metalen galvanisch gescheiden te zijn.​

1.2. Zinkkwaliteitsproeven voor kanalen uit gegalvaniseerd staal

Per levering op de werf dient door de aannemer een bewijs van beproeving afgeleverd te worden waaruit blijkt dat 5% van alle gegalvaniseerde luchtkanaalelementen (met inbegrip van de flenzen) van die levering effectief op zinklaagdikte beproefd zijn. Deze beproeving gebeurt steeds door middel van niet-destructieve metingen.

Het meettoestel dat hiervoor gebruikt wordt dient gekalibreerd te zijn volgens de voorschriften van de fabrikant en een minimale meetnauwkeurigheid hebben van 1μm. Het meest recente kalibratiecertificaat wordt ter inzage aan de leidend ambtenaar ter beschikking gesteld en is maximaal 1 jaar oud.

Per meetpunt worden er drie metingen in een maximale straal van 0,3 m van dit punt gedaan. Het resultaat per meetpunt is het gemiddelde van de drie metingen.

De beoogde zinkkwaliteit bedraagt 275 g/m2, hetgeen overeenkomt met een minimum zinklaagdikte van 20 microm per zijde. Elk resultaat (gemiddelde van drie metingen) vanaf 18 microm wordt echter aanvaard.

Indien de meetresultaten niet beantwoorden aan de hiervoor geformuleerde eis zal de aannemer kosteloos de volledige levering vervangen door een nieuwe levering die wel voldoet aan de vooropgestelde zinkkwaliteitseisen.

De bewijzen van beproeving worden voor de verwerking van het materiaal op de werf afgeleverd aan de leidend ambtenaar, die zich het recht voorbehoudt bijkomende proeven te laten doen door een extern organisme. Indien deze bijkomende proeven geen voldoening blijken te geven zijn de kosten ervan ten laste van de aannemer en dienen alle kanaalelementen uit die levering vervangen te worden.

1.3. Toepassing

 Indien het bijzonder bestek geen duidelijke materiaaleisen oplegt, zal de aannemer een keuze maken uit de materialen voorgeschreven in 1.1. in functie van de corrosie-categorie waarin de betrokken toepassing valt. Deze corrosie-categorieën worden in onderstaande tabel samengevat.

Corrosie-categorieën volgens ISO 12944-2
​ Corrosie categorie​ ​  Buitenomgeving ​ Toegestane materialen volgens 1.1. ​  Binnenomgeving Toegestane materialen volgens 1.1.​​
voo​rbeelden van typische omgevingen binnen een gematigd klimaat (informatief)​ voorbeelden van typische omgevingen binnen een gematigd klimaat (informatief)​​
​C1 zeer laag

verwarmde gebouwen met

zuivere atmosfeer

bv. Kantoren, winkels, scholen,

hotels

A/B/C/D​
​C2 laag

Omgeving met lage

vervuilingsgraad.

Overwegend rurale omgevingen

​A/B/C/D

onverwarmde gebouwen waar

condensatie kan optreden

bv. Opslagplaatsen, sporthallen
A/BC/D​
​C3 medium

Stedelijke en industriële omgeving

met gemiddelde

zwaveldioxidevervuiling

Kuststreken met laag zoutgehalte

in de atmosfeer

B/C/D​

productieruimte met hoge

vochtigheid en luchtvervuiling

bv. Voedingsindustrie, wasserijen,

brouwerijen, zuivelindustrie
​B/C/D
​C4 hoog

Industriegebied

Kustgebieden met gemiddeld

zoutgehalte in de atmosfeer

​B/C/D

Chemische fabrieken,

zwembaden

scheepswerven in kustgebieden

​B/C/D
​C5-I zeer hoog (industrieel)

industriegebied met hoge

vochtigheid en agressieve

atmosfeer

​C/D

gebouwen of o​mgevingen met

bijna constante condensatie

of hoge mate van vervuiling

​C/D
​C 5-M zeer hoog (industrieel)

kustgebieden en offshore

gebieden met hoog zoutgehalte in

de atmosfeer

D​

gebouwen of omgevingen met

bijna constante condensatie of

hoge mate van vervuiling

D​

 Tab.  C14.2.-1​

1.4. Speciale beschermingen

1.4.1. Algemeenheden

Elke beschadiging die tijdens het fabricageproces berokkend wordt aan de bescherming van de onder

1.1. beschreven materialen, wordt hersteld door middel van een verf met dezelfde kenmerken als deze van de aangewende bescherming, of door een chemische behandeling zoals beitsen en passiveren.

1.4.2. Kanalen in corroderende atmosfeer

Elk geval dient afzonderlijk beschouwd te worden in functie van de aard van de gassen of van de lucht met dewelke de kanalen in contact komen. De vereisten worden gepreciseerd in het bijzonder bestek.​

Verwerking en plaatsing

3.1. Opbouw van de speciale stukken

3.1.1. Bochten en verloopstukken

De bochten en verloopstukken worden vervaardigd conform met de normen NBN EN 1505 en NBN EN 1506, rekening houdend met volgende bijkomende eisen:

3.1.1.1. Rechthoekige kanalen

  • De bochten moeten beantwoorden aan de figuren Fig. C14.2.-7 en Fig. C14.2.-8 met als kromteschaal aan de binnenzijde r = 100 mm.​

​Fig. C14.2.-8  e ≥ 25 mm
r = 100 mm 
l =(0,5 a + r ) tg /2 + 2
​ Fig. C14.2.-7
 
  • Het gebruik van transformatiebochten op 90° zijn niet toegelaten.
  • Alle bochten van grote afmetingen moeten uitgerust worden met leischoepen, conform onderstaande tabel, wat hun aantal en plaatsing betreft.​
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
​Kanaalbreedte in mm​Aantal leieschoepenAfstand tussen de leieschoepen (mm)​ ​ ​
​a1 ​a2 ​a3
​ 400 < a ≤​ 800 ​1 ​a/3 ​-- ​--​​
​ 800 < a ≤​ 1600 ​2 ​a/4 ​a/2 ​--
​1600 < a ≤​ 2000 ​3 ​a/8 ​a/3 ​a/2
 

 Tab. C14.2.-2

De verloopstukken, concentrische en excentrische, tussen rechthoekige kanalen worden

uitgevoerd conform de figuren Fig. C14.2.-9 en Fig. C14.2.-10.

De hoek  moet ≤ 30°.​

 
​Fig. C14.2.-9 ​​​Fig. C14.2.-10
 

De verloopstukken, concentrische en excentrische, tussen een rechthoekig kanaal en een rond kanaal worden uitgevoerd conform de figuren Fig. C14.2.-11 en Fig. C14.2.-12.

De hoek  moet ≤ 30°.

≥ 25 mm
Fig. C14.2.-11
​​e ≥ 25 mm
Fig. C14.2.-102
 

 3.1.1.2. Ronde kanalen

  • Alle hulpstukken (bochten, verloopstukken, ...) alsook de zijdelingse vertakkingen en aansluitingen moeten in de fabriek geprefabriceerd worden.
  • Tot en met de nominale diameter van 200 mm moeten afgeronde bochten gebruikt worden. Daarboven mogen segmentbochten worden toegepast. Voor kanaalnetten in andere materialen dan gegalvaniseerd staal mogen segmentbochten toegepast worden ongeacht de nominale diameter.
  • De kromtestraal van de bochten (rmin mm) wordt gegeven door volgende tabel, ontleend aan de NBN EN 1506.
​Nominale diameter (d1) ​rm
 ≤ ​100​ ​100
​> 100 ​d1
 

 De niet-geperste verloopstukken, concentrische en excentrische, worden vervaardigd conform de figuren Fig. C14.2.-13 en Fig. C14.2.-14.

De hoek  moet ≤ 30°.

l=(d1-d2)/[2 tan ( /2)]
Fig. C14.2.-13
l=(d1-d2)/ tan
Fig. C14.2.-134

Geperste verloopstukken (hierop geldt geen beperking van α) mogen slechts gebruikt worden indien de leverancier kan bewijzen dat de geperste verloopstukken een lager totaal drukverlies teweegbrengen dan een niet-geperst verloopstuk met dezelfde doorsnedeverandering. De bewijzen worden voor de verwerking van de geperste verloopstukken op de werf afgeleverd aan de leidend ambtenaar.

 3.1.2. Vertakkingen en aansluitingen

3.1.2.1. Terminologie

Voor de hierna gebruikte terminologie moet men zich richten naar de volgende figuren (de pijl geeft de richting van de luchtstroming aan):

 

 3.1.2.2. Rechthoekige kanalen

De zijdelingse vertakkingen en aansluitingen kunnen verwezenlijkt worden op twee verschillende wijzen :

  • ofwel met een doorgaande tak met gelijkblijvende doorsnede en een afgeleide of toegevoerde "cilindrische" tak die met de doorgaande tak een hoek vormt van 90° ; geen enkel orgaan leidt de luchtstroom in de afgeleide of toegevoerde tak. (Zie Fig. C14.2.-16)​

  • ofwel met een afgeleide of toegevoerde tak bestaande uit een genormaliseerde bocht, waarbij de snelheden gelijk zijn in de drie doorsneden.(Zie Fig. C14.2.-17)

 

 Fig. C14.2.-17

 De vertakkingen en aansluitingen in T-vorm zijn opgebouwd door middel van twee naast elkaar geplaatste genormaliseerde bochten, waarbij de snelheden gelijk zijn in de drie doorsneden. (Zie Fig. C14.2.-18)

 Fig. C14.2.-18

 

 3.1.2.3. Ronde kanalen

De zijdelingse vertakkingen en aansluitingen bevatten steeds een doorgaande tak met gelijkblijvende doorsnede en een afgeleide of toegevoerde "cilindrische" tak die met de doorgaande tak een hoek vormt van 90°.

Zij bestaan uit een speciaal stuk van het type “geperste aftakking” (zie Fig. C14.2.-19) tot en met een diameter van 630 mm voor de doorgaande tak of van het type “conische aftakking” (zie Fig. C14.2.-20) voor nominale diameters van meer dan 630 mm.

​r ≥ 10 mm
l3 > 0,5 d + r
d ≤ 630
Geperste aftakking
Fig. C14.2.-19
s > 0,15 d3
l3 > 0,5 d + s
d > 630
Conische aftakking
Fig. C14.2.-120
 

 Ze mogen eveneens bestaan uit een speciaal stuk van het type “T-stuk met concentrisch geperste aftakking” (zie Fig. C14.2.-21) tot en met een diameter van 630 mm voor de doorgaande tak.

l1 > 0,5 d3 + r d1 ≤ 630 mm

l3 > 0,5 d1 + r r ≥ 10 mm

Fig. C14.2.-21

Of van het type “T-stuk met conische aftakking” (zie Fig. C14.2.-22) voor nominale diameters > 630 mm.

​a) Conische
 aftakking
​b) Tangentiële
aftakking
​l1 > 0,5 d3 + s
l3 > 0,5 d1 + s
s > 0,15 d3
d1 > 630 mm​
 
3.2. Samenvoeging van de kanaalelementen
 

3.2.1. Rechthoekige kanalen

De contactoppervlakken bij de verbindingen tussen kanaalelementen moeten stijf en recht gemaakt worden.

De verbindingen gebeuren met tussenplaatsing van een voegband of dichtingsproduct.

Deze voegband moet soepel en elastisch blijven in de tijd en de vereiste dichtheid waarborgen.

De voegbanden van synthetisch schuim moeten gesloten cellen hebben.

De kanalen worden mechanisch met elkaar verbonden door middel van een bout-moer verbinding op elke hoek van de flens. Tevens wordt er aan elke zijde van het kanaal een bijkomende verbinding op de flens gemaakt, hetzij met schuiflatveren, hetzij met kanaalklemmen. De afstand tussen deze bijkomende verbindingen mag in geen enkel geval groter zijn dan de voorgeschreven afstand van de kanaalproducent, met een maximum van 40 cm.

Tenzij anders bepaald in het bijzonder bestek worden zichtbare kanalen in bezette zones steeds door schuiflatveren verbonden, en dit over de gehele lengte van de flens.

3.2.2. Cirkelvormige kanalen

De samenvoeging gebeurt ofwel met flenzen, ofwel met moffen.

  • De verbindingen met flenzen gebeuren met tussenplaatsing van een voeg of dichtingsproduct zoals beschreven onder 3.2.1..
  • Bij verbindingen met moffen wordt de dichtheid verzekerd door in het fabriek aan alle “mannelijke” verbindingsstukken en aan alle “mannelijke” uiteinden van de geprefabriceerde speciale stukken dichtingsringen in EPDM rubber te bevestigen.

Verbindingen met moffen zonder de hierboven vermelde dichtingsringen mogen eveneens toegepast worden op voorwaarde dat de voegen bijkomend afgedicht worden door op de buitenzijde van de luchtkanalen aangebrachte elastische, zelfklevende, koud verwerkbare en vochtbestendige afdichtingstape van minimaal 50 mm breed. Deze afdichtingstape bestaat uit een butylkleeflaag van ca. 1 mm op een drager van polyethyleen, met een densiteit van min. 1.7 g/cm3 en een bonding time van maximaal 24 uur.

Voor buitengebruik wordt de butylkleeflaag van ca. 1 mm gedragen door een waterbestendige gesiliconeerde aluminiumfilm.

De verbindingsstukken moeten de toleranties respecteren die vermeld zijn in punt 6 van de norm NBN EN 1506.

3.2.3. Waterdichte verbindingen

Bij kanalen die instaan voor het transport van lucht die met vet- en/of vochtdeeltjes beladen is (vb. hernomen lucht van dampkappen, vaatwas, enz..) moet de verbinding tussen de kanaalstukken waterdicht zijn (teneinde lekkage te vermijden), bv. door lassen of tussenplaatsing van een waterdichte afdichting.​

 

ARTIKEL E5. PROEVEN OP VERLUCHTINGS- EN KLIMAATREGELINGSINSTALLATIES

ARTIKEL E5. PAR. 0. NORMENREFERENTIES

NORMENREFERENTIES

De belangrijkste normen en reglementeringen betreffende het toepassingsgebied van dit artikel zijn de

volgende:

Norm Titel Datum

NBN EN ISO 7726 Ergonomie van de thermische omgeving –

10-2001

NBN EN 12599 Ventilatie van gebouwen - Beproevingsprocedures en

NBN EN 14239 Luchtverversing van gebouwen - Verluchtingskanalen

instrumenten voor het meten van fysische grootheden

(ISO 7726:1998)

meetmethoden voor de oplevering van geïnstalleerde

ventilatie- en luchtbehandelingssystemen

– Meetmethode voor verluchtingskanaaloppervlakken

10-2012

04-2004